Fatalisme en voluntarisme

Otto Kroesen

Bij het vak cross-cultureel entrepreneurship – dat ik geef – worden de studenten voorbereid op het managen van een vaak technisch project in een andere culturele context. Dus neem ik lijstjes cultuurverschillen met hen door, grotendeels gebaseerd op het werk van Hofstede en Trompenaars. Op het verschijnsel religie gaan deze sociologen in het geheel niet in. Wat maken de studenten ervan?

 

Een cultuurverschil dat wel voorkomt in het lijstje: een fatalistische tegenover een voluntaristische levenshouding. Fatalistisch: je kunt geen invloed uitoefenen op je omgeving. Voluntaristisch: jij kunt het omschakelpunt naar verandering zijn. Als religie voorkomt in de verslagen van de studenten valt het steevast in de categorie van fatalisme. Als mensen gelovig zijn – en dat zijn ze in ontwikkelingslanden nog allemaal – dan zijn ze dat omdat ze denken dat een hogere macht hun leven beheerst en dat zij daarop geen invloed kunnen uitoefenen.

Daarom laten ze de dingen komen zoals ze komen en de studenten zien dat vaak met verbazing aan. Als de oogst tegenvalt, of als er geen water voor irrigatie is, dan is de eerste reflex van de studenten: er moet een plan bedacht worden, er moeten allerlei initiatieven genomen worden en acties ondernomen om er iets aan te doen en je moet daar bovenop zitten. Maar dan zien ze dat in het dorp of de stadswijk waar ze verblijven vaak niemand wat doet. Hadden de mensen licht, nu, dan zitten ze nu weer in het donker. En ze zeggen het zelf ook: “Als God het wil komt er weer regen”.

Maar waar komt dat gevoel van de studenten dan vandaan? Ik bedoel: die behoefte aan een plan, aan initiatief, aan actie. Komt dat van de Verlichting? De Verlichting zet de rede op de troon, het ik, maar het denkende ik, meer dan het willende ik. We moeten verder terug, want de verlichting heeft het weer van de reformatie: het geweten van de lutheranen, de calvinistische wereldveranderende teamspirit. Maar nee, we moeten nog verder terug, want de reformatie heeft het weer van de katholieke kerk: de noeste arbeid van de monniken, de organisatie van de maatschappij op hun initiatief en met hun doorzettingsvermogen. Voluntaristisch dus.

Soms leg ik mijn studenten uit dat zich in de middeleeuwen een strijd heeft afgespeeld over het voluntarisme. De vraag was of de wereld “noodzakelijk zo” is als die is, of omdat God ervoor “gekozen” heeft, een wilsbesluit dus. Voordat we nu concluderen dat dat een theologische haarkloverij is: wij moeten ons natuurlijk net zo gedragen als God – bedenk dat wel. Ook wij kunnen/moeten de wereld door een wilsbesluit telkens weer naar onze hand zetten. Dat vonden de progressieve monniken in de middeleeuwen en zo werkten ze ook, en de voluntaristische theologen waren alleen maar hun woordvoerders.

Grappig eigenlijk. Voor de meeste van mijn studenten heeft de notie God geen betekenis. Maar het lijkt een beetje op de metafoor van iemand – excuus voor de oneerbiedige vergelijking – die het paard niet ziet waarop hij zit en vanaf waar hij kijkt.