Maarten Luther, wie ben je

Ton Meijknecht

Ik was in Utrecht, in het Catharijneconvent en zag de tentoonstelling ‘Maarten Luther’. 500 jaar geleden spijkerde hij zijn stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg, het beginpunt van de reformatie. Ik was teleurgesteld. Luther was een heel modern mens, vertelt men ons daar. Hij bouwde aan zijn PR en zijn image. Mag waar zijn, dacht ik, maar doet niet iedereen dat tegenwoordig? Wat was er nu bijzonder in die man, dat we nog steeds aan hem willen denken?
Ik ben hem heel anders tegengekomen. Niet tegen de achtergrond van onze tijd, maar tegen de achtergrond van zijn eigen tijd.Bij het schrijven van mijn proefschrift is het me opgevallen dat de vijftiende eeuw, de eeuw waarin hij geboren is, gekenmerkt wordt door een groot geestelijk onbehagen. Iedereen is ervan overtuigd dat het anders moest. En er waren ook allerlei voorstellen. Zo zijn er nog nooit zoveel kloosters gesticht als in die tijd. Bij ons in Delft ontstonden in die eeuw twee grote, een paar middelgrote en nog aan aantal kleine kloosters. Stel je voor, ruim 500 monniken en nonnen op een bevolking van 14.000. Dat zouden er in de stad van vandaag meer dan 3.000 zijn geweest. En binnen die kloosters was er een beweging van streng naar strenger. Kloosters begonnen hun regels aan te scherpen en strikter na te leven. Juist strenge kloosters waren in trek, zoals de kartuizers die toen naar Delft kwamen.
Ook was er een brede beweging die het bestuur van de kerk grondig wilde hervormen. Twee algemene concilies vonden dat een concilie boven de paus moest staan. Zoals de apostel Petrus terecht was gewezen door Paulus en hij zich daarnaar heeft geschikt, zo moest ook de opvolger van Petrus bereid zijn om door zijn broeders gecorrigeerd te worden.
Dat had alles te maken met de gangbare theologie van die tijd. De grondregel van de vijftiende-eeuwse theologie is dat ieder die doet wat in hem is, die zijn best doet, ervan mag uitgaan dat God hem de genade niet onthoudt. Let op de dubbele ontkenning: niet onthoudt. Het was geen heilszekerheid die geboden werd, maar het kwam er toch wel vervaarlijk dicht bij.
Wel beschouwd is het niet zo vreemd dat al deze zinnige voorstellen en plannen en al deze geleerde betogen er niet in slaagden om het grote ongenoegen weg te nemen. Er ontbrak iets wezenlijks, iets wat iedereen vermoedde en niemand wist. Ook Luther was in zijn jonge jaren bevangen door deze nijvere verbeteringsbeweging. Hij bleef hele nachten bidden in de kapel van zijn klooster, hij was strenger voor zichzelf dan volgens de regels nodig was. Hij vastte en bad, maar tot zijn grote verdriet en frustratie daalde er geen rust neer in zijn ziel.

Dat is de achtergrond waartegen ik Luther wil beoordelen. Het bijzondere aan hem is dat hij op een gegeven moment erachter komt dat al die maatregelen en al die denkbeelden niet diep genoeg gingen. Ze bleven steken op het institutionele en het rationele niveau. En dat werkt niet.
Zijn geniale ingeving is dat hij het onbehagen doordacht tot op spiritueel niveau. Zijn ingeving is dat genade alleen kan bereiken dat ik vrede vind voor mijn ziel. Het was een flits, een fractie van een seconde dat dit tot hem doordrong en opeens ontvingen de moeite, het falen en de teleurstelling van een hele eeuw van goed bedoeld zoeken hun betekenis. Opeens werd doorlicht wat zovelen voor hem hadden vermoed en niet hadden kunnen grijpen.
Alleen de genade helpt ons door dit leven heen op weg naar God. ‘Sola gratia’ zeggen de Lutheranen dan ook nog steeds.

Als je meer wilt lezen, pak dan het wondermooie boekje van de Amerikaanse psychiater Erik Erikson, Young man Luther. Het is uit 1958 en nog steeds schittert het. Na het lezen wordt een bezoek aan de Utrechtse tentoonstelling een mooi platenboek bij een spannende verhaal.