Zeven vragen aan Pieter Graaff

PieterGraaff
1. Waar was je toen je gevraagd werd voor het bestuur?
Ik hing aan de lijn. Als ik het goed herinner hebben zowel Tineke als Hans gebeld. Bij één van de twee zaten we op een bankje naast de vrijgemaakte kerk een ijsje te eten.

2. Hoe lang had je bedenktijd?
Ik had al wel aangegeven dat ik iets wilde doen. Het kon niet zo zijn dat er geen opvolging voor Cobi zou komen als penningmeester. Toen duidelijk werd dat Ido deze taak op zich wilde nemen, kwam de vraag voor portefeuillehouder Campus. Een functie waar ik niet direct een beeld bij had, maar wat me daarom ook wel nieuwsgierig maakte. Toen duidelijker werd wie er nog meer in het bestuur kwamen kon ik definitief toezeggen.

3. Wat doe je in het dagelijks leven?
Genieten van het getrouwde leven. Professioneel houd ik me bezig met de ruimtelijke aspecten van maatschappelijke vraagstukken, als ontwerpend onderzoeker en docent. Daardoor ben ik nog niet helemaal vervreemd van de campus. Ik ben een boek aan het afronden over de vraag hoe je van zorggebouwen woongebouwen kunt maken. Met drie vrienden ben ik een architectenbureau gestart waarmee we corporaties in probleemwijken adviseren en (ver)bouwopgaven begeleiden. Het lijkt erop dat we binnenkort een kerk mogen verbouwen.

4. Doe je ook nog ander vrijwilligerswerk?
Momenteel niet. De combinatie werk en kerk is al genoeg, zeker met een bureau in oprichting en het eerste jaar bestuur. We zijn via het buurtkoor nog wel regelmatig in het buurthuis te vinden en tot en met afgelopen zomer hielpen we bij een kinderkamp.
5. Afgelopen weekend(en) iets leuks gedaan?
Met mijn zusje, die uitgeprocedeerde vluchtelingen helpt, nagedacht over oplossingen voor de tijdelijke huisvesting van asielzoekers.

6. Wat motiveert je.
Ik krijg energie als ik denk dat iets betekenisvol is, maatschappelijk relevant, inclusief. Studenten spreken vaak over ‘echte mensen’ als ze op zoek gaan naar die relevantie. In de participatiemaatschappij moet je extra aandacht en ruimte geven aan doelgroepen die niet in de positie zijn om zichzelf te organiseren. En altijd de verbinding zoeken. Oecumene is meer dan een projectmatige uitwisseling tussen instituten, het is een oefening in wereldburgerschap zonder je eigenheid te verliezen. In Taizé heb ik ervaren dat dit kan. Daarom kan ik ook slecht tegen kerken die zich willen profileren door mensen buiten te sluiten. Zoeken naar verbinding in al onze verscheidenheid, met oog voor wat er in het dagelijks leven speelt en wat er onder studenten leeft, daarin voel ik me thuis.

7. Waar staan wij als kerk volgend jaar?
Aan het Noordeinde. Naast allerlei ideeën over de verbondenheid tussen kerk en campus en de verankering in de Delftse samenleving, hoop ik dat we ook genoeg rust hebben. Rust om niet alleen te zien wat beter kan, maar ook hoe gezegend we nu al zijn en wat voor eigens iedere persoon inbrengt. Je kunt als gemeenschap niet alleen groeien in omvang, maar ook in soortelijk gewicht. Bijna alle organisaties waar ik bij betrokken ben, zijn aan het opstarten of reorganiseren. Dat zorgt voor energie, maar de kerk als plaats van rust waar je gewoon mag ‘zijn’ heeft ook grote waarde.