Categorie archief: Onder theologen

Herinneringen aan professor Harry Kuitert

Renske Oldenboom

Begin september 2017 is Harry Kuitert overleden. Hij is 92 jaar geworden. Toen ik hem bij het feestje ter gelegenheid van zijn 90e verjaardag meemaakte, was hij nog behoorlijk scherp, alhoewel hij me niet meer herkende, ben ik bang.

Tot dan toe was dat steeds wel het geval geweest. Ik heb best wel wat aan Kuitert te danken. Hij was de professor die aan jou als 20 jarige student vroeg hoe het met je ging. Die bij het afstuderen aan je vroeg: ‘en, ben je van plan te promoveren?’ terwijl je zelf nog nooit op dat idee gekomen was.

Ook waren zijn colleges, herinner ik mij, verreweg de leukste van de theologiestudie. Hij had de meeste doctoraalstudenten aan de faculteit en daar was ik er één van. Hij wist veel vrouwen en ook  relatief veel getalenteerde theologen voor het vak te interesseren.

Naar college gaan bij Kuitert was een feest,  vooral in de doctoraalfase. Niet alleen waren de colleges verre van saai, er werden ook debatten georganiseerd over allerlei ethische onderwerpen. We behandelden bijvoorbeeld onderwerpen uit de medische ethiek, waarin vragen aan de orde kwamen als: ‘hoe moet je omgaan met kinderen die met een (groot) gebrek geboren worden’ of ‘moet in vitro fertilisatie (ivf behandeling) vergoed worden door de verzekering’.

Bij Kuitert werd de theologie concreet, actueel en ‘voor de wereld’. Een geëngageerd theoloog en wetenschaper, die met zijn innemende persoonlijkheid en openhartige, scherpe vragen veel jonge mensen wist te boeien en te stimuleren om zelf ook met wetenschappelijke nieuwsgierigheid de theologie en de ethiek te onderzoeken.

Waarom vertel ik dit? Misschien wil ik wel iets rechtzetten van het beeld dat van Kuitert is ontstaan als criticus van het traditionele geloof. Maar veel meer nog wil ik laten zien, hoe jonge mensen worden gestimuleerd door kritische, onafhankelijke, betrokken wetenschappers als Harry Kuitert om hun eigen weg te zoeken in het leven, hun vak en de toekomst.

Ook aan de TU zijn zulke inspirerende wetenschappers te vinden. Mensen die een hele generatie jonge vakgenoten weten te motiveren en hen te stimuleren om na te denken over een goede toekomst en de oplossing van maatschappelijke problemen. Zij zijn belangrijk voor studenten en voor de wetenschap.

En of het nu theologie is of techniek (een wereld van verschil): in beide wetenschappelijke invalshoeken zijn in onze gecompliceerde maatschappij bevlogen wetenschappers broodnodig. De techniek kan niet alle problemen oplossen, evenmin als de theologie.

In onze maatschappij is het geloof in de techniek vaak groter dan het geloof in de theologie. Maar laten we de theologie niet onderschatten. Reflectie op de kwetsbaarheid van de mens, de plaats van de mens in deze wereld  en de zin van leven en lijden blijven ook in een eeuw van techniek belangrijk: waar zijn de sporen van Gods aanwezigheid te vinden in deze wereld? Een pleidooi dus voor een nieuwe theologie, anders, maar net zo vrijmoedig als die van Harry Kuitert. Laten we niet te bang zijn om juist vanuit de theologie dat gesprek met de bevlogen wetenschappers uit de wereld van techniek aan te gaan.

Edward Schillebeekx, theoloog tussen twee vuren

Ton Meijknecht

Een vriendelijke, zachtaardige man, zo kwam Schillebeeckx op mij over. Het was 1985. Onder voorwendsel van een wetenschappelijke vraag had ik een afspraak gemaakt. Ik wilde hem van dichtbij ontmoeten. Daar opende hij zijn deur en stond hij voor me: helderblauwe ogen en een zachte stem. Zijn studeerkamer in het dominicanen-klooster in Nijmegen was groot en duister en overal stonden boeken. Ik was verbaasd. Dit was een zachtmoedige geleerde. Was dit nu de theoloog die verschillende processen van de Romeinse curie had gewonnen? Andere theologen hadden stoer geweigerd om naar Rome te gaan en zich te onderwerpen aan kerkelijke censuur; hij was wel gegaan en had hun geduldig te verstaan gegeven dat ze zich vergisten.
Maar vergis je niet, hij is strijdbaar. Hij claimde voor de theologie een zelfstandige positie ten opzichte van de kerkelijke leer. En daarmee doorbrak hij het oude verwachtingspatroon dat het de taak is van de theoloog om de leer van de kerk uit te dragen, toe te lichten of te verdedigen. ‘Dat’ meende hij, en er waren bisschoppen die begonnen te rillen, ‘dat is niet onze taak’. Onze taak als theoloog is om zelfstandig en kritisch na te denken over de geloofstraditie van de kerk en onze bevin-dingen bekend te maken. Kritische distantie dus en duidelijk spreken. De theoloog is geen hof-ideoloog.
Dat is het ene vuur waaraan hij blootstond. Het andere vuur was dat hij steeds uitdrukkelijk binnen de christelijke leer bleef opereren, hoe vrijmoedig hij ook afstand nam. Of men dat nu waardeerde of niet. Ik herinner me een indrukwekkende oproep op 26 februari 2005, tijdens een voordracht voor kritische katholieken. Ik herinner me die dag omdat mijn tweede kleinzoon toen werd geboren en ik tijdens die voordracht het verlossende telefoontje kreeg.
Met alle kracht van zijn oude stem: ‘Vergeet Christus niet!’ Ruim negentig jaar oud was hij en hij stond al aan de rand van het graf. Theologie wordt betekenisloos zonder waarachtig zoeken naar God.
Een positie tussen twee vuren was zijn favoriete plek. Voor niemand vanzelfsprekend, voor de kerk niet, voor de universiteit niet, voor de politiek niet. En tegelijkertijd loyaal jegens al die mensen. Nooit een kwaad woord over de bejegening die hij in Rome kreeg tijdens de processen over rechtzinnigheid. Geen kwaad woord ook over de moderne tijd met haar vragen en onzekerheden.
Een tijd lang vond hij waardering van alle kanten, van de kant van de kerk en van de kant van een breed publiek. Kardinaal Alfrink nam hem mee naar het Tweede Vaticaans Concilie als zijn adviseur. In Rome kregen concilievaders van hem een stoomcursus eigentijdse theologie en Schillebeeckx werd hun ghost-writer. Maar na de openlijke desavouering van Alfrink werd het ook stil rondom hem. Alfrinks huidige opvolger moest niets van hem hebben. Op zijn begrafenis in december 2009 schitterde hij door afwezigheid.

Is het daarmee afgelopen? Het is mijn overtuiging dat zijn positie de positie is die een theoloog behoort in te nemen. Het is geen gemakkelijke positie, zoals zijn erfgenaam Erik Borgman zei, maar het is de enige positie waarin een theoloog zich moet willen bevinden.

Maarten Luther, wie ben je

Ton Meijknecht

Ik was in Utrecht, in het Catharijneconvent en zag de tentoonstelling ‘Maarten Luther’. 500 jaar geleden spijkerde hij zijn stellingen op de deur van de slotkapel van Wittenberg, het beginpunt van de reformatie. Ik was teleurgesteld. Luther was een heel modern mens, vertelt men ons daar. Hij bouwde aan zijn PR en zijn image. Mag waar zijn, dacht ik, maar doet niet iedereen dat tegenwoordig? Wat was er nu bijzonder in die man, dat we nog steeds aan hem willen denken?
Ik ben hem heel anders tegengekomen. Niet tegen de achtergrond van onze tijd, maar tegen de achtergrond van zijn eigen tijd.Bij het schrijven van mijn proefschrift is het me opgevallen dat de vijftiende eeuw, de eeuw waarin hij geboren is, gekenmerkt wordt door een groot geestelijk onbehagen. Iedereen is ervan overtuigd dat het anders moest. En er waren ook allerlei voorstellen. Zo zijn er nog nooit zoveel kloosters gesticht als in die tijd. Bij ons in Delft ontstonden in die eeuw twee grote, een paar middelgrote en nog aan aantal kleine kloosters. Stel je voor, ruim 500 monniken en nonnen op een bevolking van 14.000. Dat zouden er in de stad van vandaag meer dan 3.000 zijn geweest. En binnen die kloosters was er een beweging van streng naar strenger. Kloosters begonnen hun regels aan te scherpen en strikter na te leven. Juist strenge kloosters waren in trek, zoals de kartuizers die toen naar Delft kwamen.
Ook was er een brede beweging die het bestuur van de kerk grondig wilde hervormen. Twee algemene concilies vonden dat een concilie boven de paus moest staan. Zoals de apostel Petrus terecht was gewezen door Paulus en hij zich daarnaar heeft geschikt, zo moest ook de opvolger van Petrus bereid zijn om door zijn broeders gecorrigeerd te worden.
Dat had alles te maken met de gangbare theologie van die tijd. De grondregel van de vijftiende-eeuwse theologie is dat ieder die doet wat in hem is, die zijn best doet, ervan mag uitgaan dat God hem de genade niet onthoudt. Let op de dubbele ontkenning: niet onthoudt. Het was geen heilszekerheid die geboden werd, maar het kwam er toch wel vervaarlijk dicht bij.
Wel beschouwd is het niet zo vreemd dat al deze zinnige voorstellen en plannen en al deze geleerde betogen er niet in slaagden om het grote ongenoegen weg te nemen. Er ontbrak iets wezenlijks, iets wat iedereen vermoedde en niemand wist. Ook Luther was in zijn jonge jaren bevangen door deze nijvere verbeteringsbeweging. Hij bleef hele nachten bidden in de kapel van zijn klooster, hij was strenger voor zichzelf dan volgens de regels nodig was. Hij vastte en bad, maar tot zijn grote verdriet en frustratie daalde er geen rust neer in zijn ziel.

Dat is de achtergrond waartegen ik Luther wil beoordelen. Het bijzondere aan hem is dat hij op een gegeven moment erachter komt dat al die maatregelen en al die denkbeelden niet diep genoeg gingen. Ze bleven steken op het institutionele en het rationele niveau. En dat werkt niet.
Zijn geniale ingeving is dat hij het onbehagen doordacht tot op spiritueel niveau. Zijn ingeving is dat genade alleen kan bereiken dat ik vrede vind voor mijn ziel. Het was een flits, een fractie van een seconde dat dit tot hem doordrong en opeens ontvingen de moeite, het falen en de teleurstelling van een hele eeuw van goed bedoeld zoeken hun betekenis. Opeens werd doorlicht wat zovelen voor hem hadden vermoed en niet hadden kunnen grijpen.
Alleen de genade helpt ons door dit leven heen op weg naar God. ‘Sola gratia’ zeggen de Lutheranen dan ook nog steeds.

Als je meer wilt lezen, pak dan het wondermooie boekje van de Amerikaanse psychiater Erik Erikson, Young man Luther. Het is uit 1958 en nog steeds schittert het. Na het lezen wordt een bezoek aan de Utrechtse tentoonstelling een mooi platenboek bij een spannende verhaal.